Ons oude huis is helemaal opgeknapt en gerenoveerd, dus wij zitten nu weer hierzoot, hoor.
Cathrinus & Catharina
Ons oude huis is helemaal opgeknapt en gerenoveerd, dus wij zitten nu weer hierzoot, hoor.
Cathrinus & Catharina
Geplaatst in Zo maar wat
Sinds mijn late puberteit heb ik al verkering met artiesten; vele muzikanten, een enkele dichter. Mensen die geen verkering hebben met artiesten, denken vaak dat je dan als onderwerp voor de diverse kunstuitingen ingezet wordt. Dit nu is niet het geval.
Ik dacht altijd dat ik de enige was die nooit bezongen
werd, maar ooit stond ik in de zaal naast de toenmalige ex van Appie Alberts (hij was overigens de eerste officiële, zelfbenoemde nachtburgemeester van Groningen, tevens mijn (platonische) vriend).
AA stond op het podium zijn longen uit zijn lijf te zingen en toen het nummer afgelopen was zei ex-vrouw A. verbolgen tegen mij: “En NOU schrijft ‘ie een liedje over me. Nu het uit is.” Ik kon haar ermee troosten dat mijn verkering weliswaar nog aan was, maar dat De Mijne slechts één nummer had geschreven waarin ik voorkwam en daarin lig ik te slapen. Ook niet dat je steil achterover slaat.
Mijn Dichter pakt dat toch aardiger aan. Zijn
aangrijpendste, meest doorwrochte gedichten gaan natuurlijk over ex-vriendinnen, maar hij heeft een paar enorm grappige one-liners over me geschreven, waar ik heel trots op ben. Goed, het zijn geen hartverscheurende gevoelsuitstortingen, maar ik ben graag een muze die humor oproept.
Hier is bijvoorbeeld eentje die het altijd erg goed doet bij het publiek:
aan marjan
ik tel je billen
één voor één
Hier is het afgelopen, hoor. Ik had het graag gecentreerd neergezet, zodat duidelijk was waar de poëzie weer overging in dom proza, maar ik vrees de toorn van Coen Peppelenbos, een geducht en notoir bestrijder van het centreren der gedichten. Coen, dat inspringen van “aan marjan” kan ik echt niks aan doen, dat heeft De Dichter zelf zo in zijn bundel gezet. Het lijkt
wel gecentreerd, maar dat is het niet. Echt niet! Ik ga zo nog een gedicht overtypen en ook daar is niks gecentreerd, ook al lijkt dat wel zo. Reclamaties dus graag indienen bij de betreffende dichters en/of hun uitgevers.
Afgelopen woensdag, bij de aftrap van de Gedichtennacht, was ik bij de Dichtclubdichtbundelpresentatie in café Marleen. Erg gezellig, heel druk en vele dichters die van allerlei opgewekts voorlazen over dood,
ex-vriendinnen, datingsites aandoen op zoek naar veel te jonge vrouwen, al dan niet drinken en oorsmeer. En toen kwam Jan Glas. Voor wie zijn oeuvre niet kent (schande over u!): het is over het algemeen niet ter zake doende wat iemands seksuele voorkeur is, maar om de meerdere lagen in dit gedicht te begrijpen, dien ik u te vertellen dat Jan van mannen houdt. Hij las dit voor:
Nieuwe horizonten
voor K. ten H.
Als Karel homo blijkt te zijn
dan wil ik Marjan wel.
Jan Glas
Kijk. Dát is nu eens op alle denkbare fronten wat ik een compliment noem. Koopt allen alles van hem.
En koopt allen de dichtclubdichtbundel natuurlijk. Ludwig IX is de titel en hij is voor 8 euro te koop in onze boekhandels en bij Café Marleen. Ook de 21-jarige Joost Oomen is daarin vertegenwoordigd met een paar geniale gedichten. Ik had nog nooit van het jong gehoord, maar als hij dat dichten een beetje doorzet en zich van niemand iets aantrekt, gaat hij heel beroemd worden. En dan kunt u iedereen vertellen dat u zijn eerste publicatie in de kast hebt staan.
Geplaatst in Lezen
Tags: café Marleen, Coen Peppelenbos, De Dichtclub, gedichtennacht 2012 Groningen, Jan Glas, Joost Oomen, Karel ten Haaf, Ludwig IX
Onze legendarische, superemotionele redactie-vergadering van ongeveer anderhalf jaar geleden kunt u zich vast nog wel herinneren. We besloten daarin niet zo heel erg unaniem om een Facebookaccount aan te maken. Catharina’s carreer move werd Senior Executive Facebook Accounts en Cathrinus werd Head of Departments Ground Rules & Targets & Associates. Als HoD GR & T&A verordonneerde hij in een kamerbrede missive dat we:
a. niet meer dan 500 vrienden zouden accepteren en
b. zelf niemand uit zouden nodigen om vrienden te worden.
Ik als SEFA -en daarmee beslissingsbevoegd- kon me daar grotendeels in vinden, behalve die vijfhonderd. WAT een dom aantal. Na veel geschreeuw, slaan met deuren, vijven en zessen besloten we de laatste aan te houden en we maakten het af op 666 vrienden. (Sorry hoor. Cathrinus en ik zijn beiden sinds onze vroege puberteit fan van Adriaan en Olivier, dus dan krijg je dit soort flauwiteiten waar wij ons persoonlijk een kriek om lachen, maar wat de meeste mensen doet zuchten van ellende.)
Ik lachte in mijn vuistje want ik wist als Corporate Manager Analytics, Visitors & Bastognecookies als geen ander dat slechts onze moeders de DG werkelijk lazen omdat ze dan konden zeggen: “Kind, heb je niks beters te doen” en dat Mijn Dichter en Cathrinus’ Poedie af en toe onze weblog aanklikten om te zien of we wellicht aan het internetflirten waren met godweetwat voor sloeries.
Maar nu hebben we dus inenen 666 intieme vrienden. 666 mensen die een vriendschapsverzoek hebben ingediend en we hebben ze (vrijwel) allemaal gehonoreerd. Slechts één keer heb ik iemand ontvriend. God, wat had ik de pest aan die gast, ik kon hem niet meer zien of lezen en toch zat hij overal en altijd met z’n nare, cynische, pseudo-intellectuele Geen Stijl-bek tussen. Een regelrecht crétin was het en ik ben blij dat ik van hem af ben. Facebook werd er een stuk opgewekter van.
Dus wat nu? Cathrinus wil beslist niet om liek als het op meer vrienden aankomt, en gelijk heeft ‘ie want die 666 staan énig, maar de verzoeken blijven dagelijks binnenstromen. Moet ik nu mensen ontvrienden als er zich een betere aandient, of houden we het gewoon eerlijk en wacht ik tot iemand ons ontvriendt, zodat we de bovenste in de wachtrij kunnen accepteren?
Het is een duivels dilemma.
Verder is Facebook een dikke roddelkont.
Geplaatst in Zo maar wat
Vandaag was de hoorzitting van de Provinciale Statencommissie Cultuur (& nog veel meer) over de cultuurnota van de Raad voor de Kunst. Bij zo’n hoorzitting kun je inspreken, zoals dat heet, en van dat recht hebben Just Vink, Miranda Bolhuis en ik gebruik gemaakt. Dit is wat ik, met emotioneel timbre in mijn omfloerste stem, de commissieleden heb verteld:
In de tweede helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw heb ik vier seizoenen lang meegespeeld bij Theater te Water; in de laatste wintervoorstelling aan boord van het schip, en drie achtereenvolgende zomervoorstellingen.
In die vier jaar heb ik een goed beeld gekregen van wat Theater te Water betekent voor de regio. Als we een dorpje binnenvoeren, stonden de mensen al aan de kade te wachten: Ha, daar zijn ze weer! Hier gebeurt nooit wat, maar Theater te Water, daar kijken we elk jaar weer naar uit.
Als directeur Sjaak Spier van het gelijknamige circus speelde ik in 1988 in de voorstelling, u raadt het al, Circus Sjaak Spier. Voor het eerst ging Theater te Water de provincie Drenthe in. In Geesbrug lagen we een week te repeteren, en konden we ’s avonds alvast kennismaken met de aanvankelijk argwanende bevolking in het café bij de brug. De eerste voorstelling speelden we voor de zes stamgasten; de tweede voorstelling kwamen ze weer en namen hun vrienden mee; de voorstelling daarna in Zwinderen zorgden ze er voor dat er weer meer mensen zaten – en tegenwoordig is ook in Drenthe, net als overal, elke voorstelling uitverkocht.
Niet alleen voor de bevolking in theaterarme gebieden is Theater te Water een unieke voorziening, ook voor de spelers en medewerkers. Ik kon aanvankelijk alleen een beetje liedjes zingen, maar door het spelen bij Theater te Water leerde ik acteren, improviseren, organiseren – en een groot netwerk kennen waarvan ik nog steeds gebruik maak. Groepen als De Bende van Baflo Bill, Kloosterboer, Vrouw Holland en Voorheen De Bende hadden niet bestaan zonder Theater te Water; voor onze voorstellingen schakelen we de hulp in van decor- en kostuumontwerpers die we van Theater te Water kennen, lichtontwerp, grafische vormgeving… Onderschat niet de grote infrastructuur die een instituut als Theater te Water in stad en wijde omgeving heeft doen ontstaan. Het is met recht een opleidingsinstituut te noemen, een springplank, een leerschool waar je in je latere leven veel aan blijft hebben.
Is Theater te Water niet vernieuwend genoeg? Moet dat dan? Is kunst uitstallen in een museum, of toneelspelen in een schouwburg dan wel zo uniek en vernieuwend? Bovendien: de thema’s van de stukken van Just Vink raken juist zonder uitzondering telkens aan de maatschappelijk actualiteit. Een stuk over de problematiek van buitenlanders bijvoorbeeld, zorgt juist in een Drents dorpje na afloop voor nadenken en napraten.
Nog een voorbeeld. De zomervoorstelling van 2011 bezocht ik in Termunterzijl. Het stuk ging over een theatertje dat dreigde te moeten sluiten… Er was sprake van een projectontwikkelaar, die het maatschappelijk nut van kunst in twijfel trok, het ging over geld, economisch rendement… Voorwaar niet bepaald een theatervoorstelling met een eendimensionale artistieke visie.
In de pauze zaten we op het dek en keken uit over de haven van Termunterzijl. Naast me zat een vrouw, die opeens tegen me zei: “Circus Sjaak Spier, daar zat jij toch in, in 1988? Dat was mijn eerste voorstelling van Theater te Water, en sindsdien heb ik er niet één meer gemist!” Later zei ze nog: “Ik ga nooit naar theater, bij ons in Woldendorp hebben ze dat niet eens, maar die stukken van Theater te Water, daar gaan we altijd heen, daar rijden we voor naar Termunterzijl, daar zit altijd wat in, daar wil ik er nooit een van missen.”
Juist in een tijd van krimp en bezuinigingen bewijst Theater te Water zijn functie in de toch al zo geplaagde regio. Jonge mensen krijgen de kans het vak van theatermaker te leren, in afgelegen streken zonder veel voorzieningen wordt theater gebracht, met een lach maar ook met een diepere laag die tot nadenken stemt. En dat alles voor een schijntje!
Vernieuwend, vernieuwend… Theater te Water is gewoon een instituut, al drie decennia lang een vaste waarde in heel Noord-Nederland. Net zoiets als de Martinitoren, zeg maar: niet zo modern en vernieuwend als het Groninger Forum, maar wel een monument.
En je gaat toch ook niet de Martinitoren opheffen?
Frank den Hollander, 11 januari 2012
Geplaatst in Zo maar wat
Zoals het oplettende lezertje weet woon ik in een heel groot huis van zo’n 400 jaar oud. Dat heeft natuurlijk ook nadelen. Eén daarvan is, dat er altijd wel iets gerepareerd of aangelegd moet worden. En daarvoor zijn mannetjes nodig, want wij kunnen niks zelf. Die mannetjes lopen zonder aankondiging onze slaapkamers in en uit, en het maakt ze geen bal uit of we nog in bed liggen of niet. In december was het een komen en gaan van dakpannenleggers, kachelaansluiters, schoorsteenvegers, intercomreparateurs, brandalarmaanleggers, tegelaars, glazenwassers, elektriciëns en wat al niet en ik was spuugzat van ze.
Pal voor de kerst zijn ze nog een hele week bezig
geweest om -en ik overdrijf nu eens niet- in en rond mijn beide kamers 5 (vijf!) rookmelders aan te leggen. Die moesten per se aan het plafond en met een verschrikkelijke lelijke plastic leiding op de meest onhandige plekken, zodat ik nooit meer een plafondlamp kan ophangen als ik dat zou willen. Goddank had mijn onderbuurman de tegenwoordigheid van geest om zijn kamerdeur op slot te doen, anders hadden er nu drie gigantische rookmelders in het monumentale, 200 jaar oude ornamentenplafond gezeten en had zijn 100-jarige kroonluchter op de grond gestaan. Ik wilde maar zeggen: geen scrupules, die bouwvakkers. Het staat op de tekening en ze voeren het uit, zonder aanzien des huizes of persoons.
Dus toen ik naar Schiermonnikoog ging, had ik één troost: geen mannetjes. Alleen maar Mijn Dichter en de enige lichamelijke inspanning die hij voornemens was te doen, was het optillen van een boekje. Maar ik had buiten de misselijke trucjes van satan gerekend.
De mevrouw zei: “ik hoop niet dat u het vervelend vindt, maar de tafels moeten opnieuw geschuurd en gelakt worden en dat gaan we woensdag doen. U hebt er geen last van, hoor, we doen eerst de lege appartementen en dan ruilen we uw tafels gewoon om.”
Vandaag (dinsdag, natuurlijk) kwam er een man aan de deur: “We gaan zo uw tafels in de olie zetten.”
Ik nog sputteren, maar hij wist niks van omruilen en dat soort overdreven gedoe en sprak geruststellend: “Ach, het duurt hooguit een uurtje. Misschien twee.”
Dus wij naar Van der Werff. Dat is nooit een straf,
natuurlijk, maar toch vonden we het wel wat grof, dat we midden in ons vakantieweekje ons duurbetaalde appartement uitgezet werden. Toen we terugkwamen, hing er zo’n verschrikkelijke meur in de tent, dat we alle deuren en ramen tegen elkaar open hebben gezet en maar weer gevlucht zijn, want het werd best koud. We beginnen dus inmiddels zelf ook aardig in de olie te raken.
Jajaja, wij zijn verwende nesten. “Had ik de zorgen van deze schrijver,” Tucholsky zei het al.
Geplaatst in Zo maar wat
De Dichter heeft een nieuwe telefoon en hier op Schiermonnikoog besloot hij zich te verdiepen in de ringtonen ervan, in de hoop dat hij zijn gezellige, vertrouwde krekelgeluidje weer kon vinden. Dat was natuurlijk niet het geval. Wel heel veel afgrijselijke muzak, etherische klankschalenshit en ouderwetse telefoonrinkels die iedereen al gebruikt.
Zoals u wellicht niet allemaal weet, heb ik niet alleen de deftige th in Catharina staan, maar ook aan het eind van mijn achternaam. Als u zich afvraagt wat mijn overtuigd sociaal democratische, arme maar gelukkige ouders bezielde: mijn vader kwam tot zijn diepe ongenoegen en schaamte uit een bemiddelde kakfamilie en heeft mij vernoemd naar zijn lievelingszuster. Tante Toos née Catharina.
“Bel mij eens,” zei Mijn Dichter met glimmende ogen nadat hij het hele scala aan geluiden gehad had. Ik deed het. Er klonk een ingetogen en vriendelijk tringtring rinkeltje en daarna een vreemde mannenstem.
“Wat zegt ‘ie?” vroeg ik verbaasd.
Schaterend riep De Dichter: “Hij zegt je naam! Ik heb ‘naam beller uitspreken’ ingeschakeld.”
Ik belde nog een keer. Nu hoorde ik het ook, het klonk alleen uiterst merkwaardig. “Hij zegt niet Feith,” zei ik, “die Japanner denkt dat het een Engelse naam is. Hij zegt Feif.”
“Mijn telefoon heeft een spraakgebrek,” zei De Dichter.
Hij heeft inmiddels zijn contacten in de telefoon aangepast. Alle namen eindigen nu op th. Zelfs die van zijn moeder, terwijl haar achternaam van nature al op een f eindigt.
Maar wat mij bevreemdt, is dat Mijn eigenste Dichter mij klaarblijkelijk met achternaam en al in zijn telefoon heeft staan. Dat is toch vreemd? Ik vind het raar.
Geplaatst in Zo maar wat